Iemand zei ooit: “Wanneer hoop levend is, is de nacht minder donker, de eenzaamheid minder diep en de angst minder scherp.” Toen ik als assistent-geestelijke in een gevangenis werkte, ging ik bij de ter dood veroordeelden zitten en luisterde terwijl ze over hun lot spraken. Vrijwel zonder uitzondering spraken allen over de hoop ooit uit de gevangenis te komen. Zelfs als zij een levenslange straf hadden, hoopten zij eruit te komen.
Ik heb gesproken met mensen die niet bekennen opnieuw geboren te zijn, maar toch hopen in de hemel te komen. Deze mensen durven de hoop niet los te laten. Hun hoop is gebaseerd op hun eigen hoop! Zo’n dieet van hoop is wel een mager dieet! Deze redenering doet mij denken aan Jezus’ woorden in Johannes 10:1-2 over het binnengaan van het schapenhok. “Maar wie door de deur ingaat, is de herder der schapen.” Mensen bouwen hun hoop op de hemel op veel wankele dingen. Sommigen baseren hun hoop op het feit dat zij in een bepaalde kerk gedoopt zijn. Sommigen hopen op hun lidmaatschap van de kerk. Sommigen hopen op hun goede werken, terwijl anderen hopen op hun hoop. De Bijbel zegt echter: “... indien iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien” (Johannes 3:3).
Er is een ware hoop en een valse hoop. De valse hoop is “op een andere manier omhoog klimmen”, maar ware hoop is “wie door de deur ingaat.”
“Want wij zijn uit hoop behouden; maar hoop die men ziet, is geen hoop; want wat een mens ziet, waarom hoopt hij nog?” (Romeinen 8:24). Dit woord hoop betekent “met verwachting of grote verwachting.” Kunnen wij zeggen dat wij behouden zijn door grote verwachting? Ja, dat kunnen we. “Arbeid niet voor het vergankelijke voedsel, maar voor het voedsel dat blijft tot het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want hem heeft God de Vader verzegeld” (Johannes 6:27). Dit lijkt een soort tegenstelling. Zijn wij niet door genade behouden? Ja, wij zijn door genade door het geloof behouden (Efeziërs 2:8). Wat is dan dit behouden worden door hoop en het arbeiden voor het “voedsel dat blijft tot het eeuwige leven”?
“Zij dan zeiden tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods kunnen doen? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem die Hij gezonden heeft” (Johannes 6:28-29). Alleen door genade worden wij behouden, maar zoals deze passage suggereert, stelt genade een voorwaarde. De voorwaarde van genade is dat wij in Hem geloven. Een andere voorwaarde van behoud is bekering (Marcus 1:15), en weer een andere is het dragen van het kruis. “Want wie van u achter Mij wil komen, die verloochen zichzelf, en neme zijn kruis op, en volge Mij” (Marcus 8:34).
Alles wat wij voor Christus zouden doen — of het nu geloven, zich bekeren of het kruis dragen is — is uit genade. Wat wij ook hebben of doen, is vanwege Hem. Wij werken niet voor onze zaligheid, want Christus Zelf zei: “Het is volbracht.” Wij hebben niets om op te hopen als wij niet voldoen aan de voorwaarden van onze zaligheid. Zodra wij de Heere Jezus als Zaligmaker ontvangen, doet de hoop niet beschaamd worden (Romeinen 5:5).
Naarmate Christus in ons levend wordt, houden wij van Hem en kiezen wij ervoor Hem te gehoorzamen. Jezus wordt ons kostbaarder naarmate wij rijpen in ons christelijk leven. Naarmate onze relatie groeit, groeit ook onze verwachting. Hoe meer wij Hem leren kennen, hoe meer wij uitzien naar het zijn in Zijn tegenwoordigheid. Naarmate onze verwachting om Hem te zien groeit, trachten wij alles te doen wat mogelijk is om Hem te behagen. Onze grote ijver voorkomt dat wij moe worden, zo: “wij zijn uit hoop behouden.”
Is uw hoop als die van degene die “op een andere manier omhoog klimt,” of zoals “wie door de deur ingaat”? Heeft u een grondslag voor uw hoop of is het een lege hoop zonder fundament?
Ik vertrouw dat u opgroeit “... in alles tot Hem, die het Hoofd is, namelijk Christus” (Efeziërs 4:15).
Ik hoop dat u nog een beetje meer mag groeien, zodat uw verwachting om Christus te zien ook mag toenemen. Het getuigenis van deze verwachting is: “... in dit zuchten wij, met verlangen om bekleed te worden met ons huis dat uit de hemel is” (2 Korintiërs 5:2).



