De achtjarige Jamin was niet erg slim. Of althans dat zei zijn oudere broer tegen hem. Bijna elke dag vond broer Kenny manieren om Jamin aan zijn tekortkomingen te herinneren en te lachen om zijn misstappen.
“Jamin, je zult nooit slim zijn”, zei Kenny. Diep vanbinnen voelde Jamin zich berust in een leven vol verwarde struikelingen. Zou hij altijd onhandig blijven? Zou hij altijd dingen verkeerd zeggen? Dat zei Kenny.
Jamin geloofde Kennys preken met grote ogen. Kenny was drie jaar ouder, dus hij moest wel gelijk hebben. Goed dan, Jamin zou simpel zijn. Kenny zou slim zijn. Het leven was oneerlijk. Pa en Ma hielden niet van Kennys trotse praatjes en straften hem telkens als ze een van zijn toespraken opvingen. Maar Kenny wist hoe hij buiten gehoor kon blijven. Dus ging hij door met het uitschelden van Jamin.
Oma Otto keek vanuit haar schommelstoel op de veranda naar deze beproevingen. Ze was een stille oude vrouw.
“Jamin, weet je waar Kenny is?” vroeg Ma met een glimlach. “Het is bijna etenstijd.”
“Hij is zijn coyotenvallen gaan controleren. Ik zal hem zoeken.”
Er hing een kilte in de lucht toen hij over het gazon naar boven stapte, en de zon werd oud terwijl hij de grens van het bos overstak. De vluchtige schaduwen schoten over de heuvels. De kilte verdiepte zich naarmate hij dieper het bos in stapte. Hij ademde de rijke lucht in en volgde Kennys spoor. Uiteindelijk zou het pad in een wei uitkomen, maar Jamin hoopte Kenny te vinden voordat hij zo ver moest gaan. De verschillende vallen waren al gecontroleerd, dus Jamin wist dat Kenny deze kant op was gekomen. Jamin ploeterde vastberaden door. Zijn gouden hoofd ving de moegejaagde zonnestralen die door de bomen flikkerden. En spoedig waren ook die vervaagd en lieten de muskuslucht van het bos achter. De herfstspinners hadden hun werk gedaan en hun webgordijnen hingen van takken boven hem.
Ten langen leste, toen de bomen gelijkmatiger werden en dunner, en de wei verscheen, wist Jamin dat dit het einde van Kennys valroute was. Als Kenny hier niet was, wist hij niet waar anders hij moest zoeken.
Maar Kenny was daar. Toen Jamin de wei inklom, zag hij rechts een gefrustreerde hoop liggen. De stem van de hoop klonk bekend. Het gezicht van de hoop was van pijn verlicht. De hoop was Kenny. “Gaat het? Wat is er gebeurd?” Jamin voelde zich vreemd om Kenny zo ineengedoken in de modder te zien. Kenny was slim. “Ben je in een val getrapt?”
“Ja, Jamin. Ik… ik keek niet waar ik liep. Help me. Alsjeblieft.”
Jamin boog zich en vond een enkel die stevig door de kaken van een stalen val werd vastgehouden. Donkerte bevlekte de grond rond Kenny. Snel wreven Jamins sterke armen de kaken open. Kenny trok zich los. “Kun je lopen?”
“Ja. Ik denk het. Als je me ondersteunt, kan ik hinkelen.”
“Pa en Ma zullen zich zorgen maken. We hebben het eten gemist.”
Inderdaad, terwijl de broers terugstapten door het bos, hoorden ze het lange roepen van hun vader. Jamin riep terug, en hij stond op een ogenblik naast hen, zag de enkel en tilde Kenny op als een gewond schaap. Het rare gezelschap haastte zich naar huis en de hor deur sloeg dicht toen Pa over de veranda snelde. Jamin ging naar het washuis en schrobde zijn handen. Hij liep naar de voordeur.
“Jamin.” Het was Oma. Het licht op de veranda liet haar in haar oude schommelstoel zien. Een zware deken lag over haar schouders.
“Ja, Oma?”
“Denk je dat je niet erg slim bent?”
“Dat zegt Kenny.” Jamin wrong zich.
“Je was sterk genoeg om de val te openen, en Kenny niet. Je was dapper genoeg om hem in het donker te vinden. Veel jongens van jouw leeftijd zouden dat niet zijn.” Jamin zweeg. Oma Otto schommelde nog wat, en glimlachte toen. “God heeft je gemaakt zoals je bent met een doel, Jamin. Hij heeft Kenny zo gemaakt met een doel. Hij heeft een plan voor jou, en een plaats die alleen jij kunt vullen, weet je dat.”
Jamin draaide zich om en liep de warme keuken in. Hij glimlachte.



